RELATIE TUSSEN WISKUNDE EN ONTSTAAN VAN RUIMTELIJKE VORMEN ALS ABSTRAKTE BEZIGHEID
Alles om ons heen draagt stukjes natuurkunde, wiskunde, psychologie, (krankzinnigheid) in zich, de meeste details zijn vergaand onderzocht met in de verschillende tijden en plaatsen verschillende nadrukken. Maar de essentie van een vorm groeit niet vanuit een wetenschappelijk of anderszins algemeen gedefinieerd denken (of voelen) (Estetica is eigenlijk een uitgebreid soort cultuurhistorie). Het wordt tijd dat de nadruk een tijdlang op deze essentie komt te liggen, omdat er een relatie bestaat tussen (schijnbaar) niet meer op te lossen problemen en de resultaten van de toepassing van bovengenoemde kennisgebieden. Het feit dat het landen op de maan andere problemen oproept dan de diverse theorieën over ruimte (en dus vorm) tot nog toe deden, toont aan dat er een gat zit in het gezamenlijke wetenschappelijke denken . Het resultaat dat we waarnemen is het gevolg van duwende, regelende, en verplichtende wetten en strevingen, die per stuk wel niet volledig bewandeld, uitgeplozen zijn, maar waarvan de zoekende uiteinden zich toch bevinden in gebieden die niet in een direkte relatie staan met de werkelijkheid om ons heen. Het is b.v. niet per se nodig om veel natuurkunde, wiskunde e.d. te beheersen om een auto te bouwen die aan bepaalde doelen beantwoordt. Doordat we al eens gekonfronteerd zijn met een auto (en motor) zijn we in staat door een soort direkte kennis, die visueel, dus door de vormen, tot ons komt, opnieuw een auto (vormen) te maken, die niet per se slechter zal zijn als die we eerder zagen! Zo bestaat er dus een soort energie die bij een mens direkte kennis overdraagt. Dat de ontwikkeling van deze visuele receptie zeer ver ten achter gebleven is blijkt wel uit de vrij geringe belangstelling voor kunst maar ook voor gebruiksvoorwerpen. Alleen de religieus en feodaal getinte eigenschappen van kunst en gebruiksvoorwerpen worden ontwikkeld. Dit heeft voor de verschillende bestaansniveaus (of klassen) een andere uitwerking maar in grote trekken maakt dat toch niet veel uit.

Er zijn goede en slechte vormen, in die zin dat sommige veel en gemakkelijk hun essentie overdragen en andere niet of weinig. Het totaal aantal vormen dat een mens kan begrijpen is veel groter dan het totaal aantal overdrachtsresultaten uit elke andere 'wetenschap'. Wetenschap = schap van het weten. Weten kast = kast van het weten. Het wetenschappelijk denken komt aan hedendaagse opmerkzame buitenstaanders daarom zo luguber voor omdat er wat aan ontbreekt, namelijk een werkelijke en zinvolle samenhang in de realisatie en vormgeving van de diverse ver (zeer ver) gevorderde disciplines. Hoe dit gat in de tijd (ruimte) ontstaan is kan ik (hier staat niet men) nog niet achterhalen. Dit is trouwens nauwelijks belangrijk omdat ook buiten de oorzaak om het gat te dichten is. Het gevaarlijke is dat de vorm van de uitwerking vanuit theorie of wetenschap bepaald wordt door mensen die geen opleiding hebben in het organisch interpreteren, en verder ook commercieel, maatschappelijk en psychologisch gebonden zijn. Er zijn zelfs reeds kunstenaars die alleen hun lichamelijke en geestelijke verschijning tot kunst verklaren, omdat ze weten dat hun mogelijke materiële resultaten of niet of verkeerd geïnterpreteerd worden, nl. met begrippen die buiten de essentie vallen. (vergelijking en geschiedenis) Daarom antwoorden kunstenaars ook vaak, gevraagd naar de bedoeling van hun werk dat ze geen bedoeling hebben. (Die hebben ze echter wel degelijk. Alleen het soort doel is voor de vrager niet meer bereikbaar. Omdat de vrager verder reikt dan nodig is.) Ik geloof echter dat door de vertroebeling ontstaan tussen maker en beschouwer of verbruiker niet de kunstenaar de nieuwe noodzakelijke nadruk zal kunnen opbrengen. Hiervoor zal een speciale nadrukkenlegger noodzakelijk zijn. Deze zal zichzelf opdringen, zijn persoonlijk bestaan zal bekostigd worden uit hele andere bronnen dan het nadruk leggen. Dus in ieder geval horen de hyena kunstkritici en historici niet tot deze belangrijke nieuwe groep, die de maatschappij voor ondergang op een of meerdere fronten moet behoeden of misschien zelfs op alle fronten. Hoe het mogelijk is dat dit soort mensen niet al uitgefilterd is door geschiedenis of huidige maatschappelijke situatie zal wel een raadsel blijven. Er is dus een samenhang in de dingen die uitmonden in de uiteindelijke vorm. Een heel dadenschema wordt ons door de vormen (= resultaat in steeds meerdere mate van de industrie) opgedrongen. Een dadenschema dat niet eigen is aan volledig mens zijn!! (Wat is dat dan? Meer doen dan aan een opgelegd dadenschema beantwoorden!!!)

Gerrit van Bakel, 1970